Geschiedenis

Heksen in de Leiestreek

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4 |

Bron: Eddy Lefevre - nieuwsblad


Deel 1: Olsene, dorp der heksen - Maeyken de Smet

ZULTE - Olsene heeft in de geschiedenisboeken de reputatie ‘heksendorp’ te zijn. In zijn boek ‘Het gevecht met de Duivel: heksen in Vlaanderen’ (1999) vermeldt Fernand Vanhemelryck Olsene zelfs een twaalftal keer in verband met heksenprocessen. Er wordt zelfs gesproken over een heksensabbat in de jaren 1660 in Olsene. De heksen hielden hun diabolische danspartijen en vergaderingen op de ‘toveressencnock’ (de tovenaressenhoek) aan de weg Gent-Kortrijk.

ijskelder

Het vroeger klooster van Olsene gelegen in de buurt van de 'tovenaressenhoek'.

Rond 1660 werden in Olsene heksenprocessen gevoerd en mensen ter dood gebracht op de brandstapel. In afwachting werden zij gevangen gezet op het neerhof van het Hof Ter Wallen, het huidige kasteel van Olsene, dat teruggaat tot einde 11e eeuw. Baljuw Philips van Biesbrouck van Olsene had een reputatie op veroordelingen aan te sturen en daarbij de feiten te maximaliseren ten nadele van de slachtoffers.

Maeyken de Smet

Maeyken de Smet (of de Smedt) werd geboren in Olsene in het jaar 1599, haar exacte geboortedag kennen we niet. Zij was getrouwd met Jan Rahou en werd een slachtoffer van de heksenvervolging. Pieter Dhondt had haar immers tijdens en na zijn foltering in november 1660 aangewezen als één van zijn medeheksen. Maeyken werd op 22 januari 1661 aangehouden na een gerechtelijk vooronderzoek.

Halsband

Op 7 februari 1661 werd zij gefolterd met de halsband. Dat was een martelwerktuig, waarin verdachten, die van hekserij beschuldigd waren, werden gekneld als ze hun omgang met de duivel ontkenden. Deze houten, ijzeren of lederen halsband was aan de binnenzijde voorzien van vijf rijen van elk twintig scherpe pinnen. Aan de buitenkant zaten koorden die aan de vier muren van een folterkamer waren bevestigd. Zo bleef de halsband onbeweeglijk op dezelfde plaats. De beklaagde zat op een driepikkel en moest het hoofd voortdurende kaarsrecht houden. Bij de minste beweging drongen de pinnen, die aan de binnenkant zaten, immers in de hals en veroorzaakten daar ernstige verwondingen. Soms werd ook nog vlakbij of zelfs onder de verdachte een vuur aangestoken om de beklaagde door de hitte aan het bewegen te brengen. Het gebeurde dat de beul ook op de spankoorden sloeg, zodat de pinnen diep in de hals drongen. Meestal waren enkele uren in de halsband al genoeg om de verdachte alles te laten bekennen, wat de magistraten maar wilden horen. Alleen de dreiging al met de halsband maakte de slachtoffers zo bang, dat zij vaak de meest fantastische verhalen vertelden over hun omgang met de duivel. Als de vermeende heks toegaf een relatie te hebben met de duivel, volgde de doodstraf.

Bekentenis

Ook Maeyken bekende tijdens de pijniging, dat zij met de duivel genaamd Heyn een schriftelijk contract had afgesloten, dat zij met bloed uit haar duim of hand had ondertekend. Daarin had zij God en al zijn heiligen afgezworen. Zij had met de duivel, in de gedaante van een jongeman in het grijs gekleed, achter de herberg ‘Den Papegaey’, in een haag aan het einde van een ‘cauterken’, geslachtelijke omgang gehad. De duivel had haar een papier met daarin grijs poeder gegeven, waarmee zij dieren en appelbloesems had betoverd. Met die appels had zij later in Olsene mensen betoverd: de echtgenoten van Gillis Wullaert en Pieter van Coppenholle en de zoon van Jan Crombeen. Met een stuk koek had zij de kinderen van Joos Roose, Jan de Bosch en Joos van den Steene. De koeien van Lowys de Seyn en Pieter van Coppenholle had zij betoverd door hen over de uier te strijken. Zij was daarnaast ook naar verscheidene tweewekelijkse duivelse vergaderingen en feesten geweest, telkens tussen dinsdag en woensdagnacht, onder andere op het ‘tooveressen’ kruispunt in Olsene en op het kruispunt bij Pauwels Goeminne in Petegem en zelfs viermaal op Sint-Pieters in Gent. Bij de terugkeer na de samenkomsten blies zij venijn, dat zich in de vorm van spinnen verspreidde over de boomgaarden, de bossen en het vlas en zo de oogst bedierf. Alle bekentenissen moesten de volgende dag vrijwillig en zonder marteling worden herhaald, wat ook gebeurde. De schrik zat er blijkbaar goed in.

Elisabeth de Smet

Maeyken de Smet moest de namen opgeven van andere heksen, die zij op deze vergaderingen had herkend. Onder druk van de marteling verklaarde ze dat zij daar haar dorpsgenote Elisabeth de Smet had gezien. Elisabeth de Smet werd veertien dagen later aangehouden en werd eveneens met de halsband gefolterd. Als straf ‘voor te wesen eene tooveresse’ werd ze voor tien jaar uit Vlaanderen verbannen.

Gewurgd en verbrand

De heksenjagers wilden van de heks niet alleen een bekentenis maar ook een spijtbetuiging los krijgen. Heksen die niet alleen bekend hadden, maar zich ook nog bekeerden, werden eerst gewurgd voor zij verbrand werden. Als hun misdaden te groot waren, werden ze toch levend en bij volle bewustzijn verbrand. Dat verbranden was nodig om hun ziel te bevrijden van de duivel, zodat ze vooralsnog naar de hemel zouden kunnen gaan. De kwade werken van de heks werden met de verbranding teniet gedaan. Ophangen was niet voldoende, want dan konden de eigenschappen die zij van de duivel had gekregen, overgaan op haar kinderen. Op 12 februari 1661 werd Maeyken de Smet van de plaats waar zij werd vastgehouden, waarschijnlijk het Hof Ter Walle, het huidige kasteel van Olsene, op een wagen naar het galgenveld in Olsene gevoerd. Zij werd daar op een schavot gewurgd en haar lichaam werd daarna in brand gestoken. Zij was 62 jaar oud. Van haar bezittingen werden de proceskosten betaald en de rest werd verbeurd verklaard.

Naar boven

Deel 2: Heksen in de Leiestreek: Joos Verpraet

Olsene heeft in de geschiedenisboeken de reputatie een ‘heksendorp’ te zijn. In zijn boek ‘Het gevecht met de Duivel: heksen in Vlaanderen’ (1999) vermeldt Fernand Vanhemelryck Olsene zelfs een twaalftal keer in verband met heksenprocessen. Er wordt zelfs gesproken over een heksensabbat in de jaren 1660 in Olsene. De heksen hielden hun diabolische danspartijen en vergaderingen op de ‘toveressencnock’ (de tovenaressenhoek) aan de weg Gent-Kortrijk. Rond 1660 werden in Olsene heksenprocessen gevoerd en mensen ter dood gebracht op de brandstapel. In afwachting werden zij gevangen gezet op het neerhof van het Hof Ter Wallen, het huidige kasteel van Olsene, dat teruggaat tot einde 11e eeuw. De bossen of bosjes tussen Olsene Grot en de huidige nieuwe Leie werden vroeger ook wel de ‘heksenbossen’ genoemd.

ijskelder

Frans Francken (II) (1581–1642) Heksensabbat (1607)

© Wikipedia

 

Jan Vindevogel

Landbouwer Jan Vindevogel, 55 jaar, uit Ooike, was de plaatselijke heksenkapitein ten dienste van de duivel, maar hij had ook al eens weerwolf door de velden gelopen. Die gedaanteverandering gebeurde door middel van een vel of kleed dat hij van de duivel gekregen had. Hij werd op 29 juli 1752 in Ooike gewurgd en verbrand. In de loop van zijn proces had hij Joos Verpraet uit Olsene als collega-weerwolf aangeduid. Verpraet werd pas aangehouden in 1661, na een tweede beschuldiging, nu door Pieter Dhondt.

Joos Verpraet

Joos Verpraet werd geboren in 1611 in Gottem als zoon van Arent Verpraet, een exacte dag kennen we niet. Hij was door Pieter Dhondt tijdens diens foltering op 23 november 1660 aangewezen als medeheks en werd daarom op 5 december 1660 door de baljuw van Olsene aangehouden. Het leenhof van Olsene vroeg hiervoor dezelfde dag nog de goedkeuring van de Gentse heksenadvocaten, maar die weigerden de aanhouding te bevestigen, omdat er geen gerechtelijk vooronderzoek had plaatsgehad.

Proces-verbaal

Dat vooronderzoek werd haastig gevoerd op 7 en 8 december 1661. Tien mannen beschuldigden Verpraet ervan een aantal schapen, paarden, een vrouw en een man te hebben betoverd. Eén van hen zei dat hij had horen zeggen dat Verpraet een weerwolf was. Op 10 december werd Verpraet ondervraagd over zijn identiteit en de vermeende toverreputatie van zijn voorouders. Tussen 10 en 27 december werden 24 getuigen ten laste gehoord door het leenhof. Tien van hen hadden eerder al in het gerechtelijk vooronderzoek getuigd. Naast de feiten die daar al aan bod waren gekomen, beschuldigden zij Verpraet ook nog van het betoveren van een kind, een vrouw, een man en een varken. Het leenhof ondervroeg Verpraet over al deze beschuldigingen op 23 en 26 december, maar die ontkende alles en zei dat hij de inwoners, de boomgaarden van het kasteel van Olsene, de baljuw van Olsene en zijn dochter, dieren en boomgaard niet had betoverd. Hij verklaarde dat hij geen tegenbewijs wilde leveren en niet door een procureur wou bijgestaan worden.

Toelating tot marteling

Nog dezelfde dag, op 26 december, reed baljuw van Biesbrouck met dit proces-verbaal naar Gent, waar hij de heksenadvocaten toestemming vroeg Verpraet te ondervragen met een marteltuig. Na enige discussie gaven vijf advocaat-specialisten van de Raad van Vlaanderen hem daarvoor de toelating op 30 december. Het leenhof mocht Verpraet volledig laten kaal scheren en hem door een chirurgijn en een ervaren doctor in de geneeskunde op duivelsmerken laten onderzoeken. Daarna mocht een beul hem in de beruchte halsband zetten, maar dan wel zonder dat hij een groot vuur aanstak of een andere versterking van de foltering toepaste. Giraldo Heland, een dokter in de medicijnen uit Oudenaarde, en Pieter Carijn, een chirurgijn uit Kruishoutem, voerden de kaalschering en het lichaamsonderzoek op duivelsmerken uit. Het resultaat was zo goed als zeker positief. De beul van Gent zette in de avond van 3 januari 1661 Verpraet in de halsband, waarin hij bleef zitten tot de morgen van 5 januari 1661. Tijdens zijn pijnlijke ondervraging bekende Verpraet zijn omgang met de duivel, het bijwonen van een reeks heksensabbats en een hele reeks betoveringen in Olsene, Kruishoutem en Huise. Hij had thuis ook een duivels poeder in een muur verstopt. Baljuw van Biesbrouck, eerste leenman-schepen Heyndrick Weytack en griffier Jacques Stuyvaert deden daarom bij hem op 5 januari 1661 een huiszoeking, waarbij zij echter niets vonden. Vierentwintig uur nadat Joos Verpraet uit de halsband was bevrijd, bevestigde hij al zijn bekentenissen.

Vuurdood en confiscatie

De Gentse heksenadvocaten vonden dat echter onvoldoende om hem tot de doodstraf te veroordelen. Op 8 januari gaven zij het leenhof van Olsene opdracht de betoveringen in Kruishoutem en Huise nader te onderzoeken en na te gaan of het waar was dat Verpraet zijn oogst had verloren toen de duivel hem de eerste keer verscheen. Dit onderzoek op 10 en 11 januari leverde weinig nieuws op. Toch oordeelden de Gentse heksenadvocaten op 13 januari dat er nu toch genoeg bewijs was om Joos Verpraet tot de vuurdood en de confiscatie van zijn goederen te veroordelen. Heksenadvocaat Marijn van Huele stelde het vonnis op dat het leenhof van Olsene op 15 januari 1661 uitsprak. Hij werd ter dood veroordeeld, omdat hij een papier had ondertekend, dat de duivel Rascondt bij zich had, en dat met het bloed uit de tweede vinger van zijn rechterhand. In dat contract zwoer hij God en zijn heiligen af en aanvaardde hij geld van de duivel. Hij nam met hem deel aan nachtelijke danspartijen en betoverde enkele mensen, maar ook drie paarden, twee van Jan Minne en één van Inghel de Waghenare. Joos Verpraet werd op 15 januari 1661 naar het galgenveld in Olsene gesleept. Hij kreeg een galgenmaal en een kapucijn nam hem de biecht af. De beul wurgde hem daar vervolgens eerst aan een staak op het schavot en stak hem vervolgens in brand. Zijn hoofdaanklager, Jan Minne, leenman-schepen en pachter van de kasteelhoeve van Olsene, leverde daarvoor het nodige stro. Zijn proces had in het totaal 33 dagen geduurd. Al die tijd bewaakten een aantal gerechtsofficieren in Olsene en Gottem zijn in beslag genomen goederen. Die werden na zijn executie openbaar verkocht, onder andere om de proceskosten ten bedrage van 186 ponden en 6 schellingen te betalen.

Naar boven

Deel 3: Heksen in de Leiestreek: Gottem: Tanneken Sconyncx

ZULTE - Er werden niet alleen heksenprocessen gevoerd in Olsene. Ook het naburige Gottem kreeg door toedoen van baljuw Meganck zijn heks. Zij zou begraven liggen dicht bij 'de heksenput' in de huidige Ardense Jagersstraat.

ijskelder

Tanneken Sconynckx (Anna De Coninck)

© Wikipedia

Tanneken Sconyncx

Tanneken Sconynckx (Anna De Coninck) werd rond 1560 geboren in Gottem. Zij werd tijdens de godsdienstperikelen in 1602 - 1603 beschuldigd van hekserij door haar neef baljuw Meganck. Tanneken overleed in Tielt in 1603 tijdens een foltering die vier dagen en nachten duurde. Tanneken was een mooie en rijke dame. Zij was gehuwd met Thomas van der Meulen en moeder van drie zonen en een dochter. Haar man schold haar geregeld uit voor 'toveres, hoer en dievegge'. Tanneken klaagde hem daarom aan bij de baljuw. Zij won het proces en kreeg een ‘purge’, de officiële bevestiging dat ze geen heks was. Toen ook Gheraert van der Meersch haar in het openbaar een heks noemde, spande ze weer een proces in, dat zij ook deze keer won.

Pastoor van Gottem

Om zich definitief tegen alle laster te beschermen trok zij op 24 maart 1600 naar de pastoor van haar geboortedorp Gottem, Jeronimus Rade, die een gedreven heksenjager was. Ze nam ook haar dochter mee, zodat die nooit met dezelfde laster overladen zou kunnen worden. De pastoor onderzocht moeder en dochter op mogelijke duivelstekens. De dochter werd uitgekleed maar Tanneken liet niet toe dat de pastoor met haar alleen bleef in de sacristie. De pastoor verklaarde daarna moeder en dochter vrij van hekserij. Toch deden er later over deze gebeurtenis nog de wildste geruchten de ronde.

Baljuw van Gottem

Hubrecht Meganck, baljuw van de heerlijkheid Ter Beke in Gottem, had zijn zinnen op de rijke en knappe Tanneken gezet. Maar die ging niet in op zijn avances en hij wilde daarom wraak nemen. Hij zocht getuigen ten laste en startte tegen haar een procedure wegens hekserij. De beschuldiging was een doorslag van de stereotiepe dingen die in zo’n heksenproces aan bod kwamen. Tanneken zou een toverpoeder bezitten, ze had een paard ziek gemaakt en de baljuw zei dat ze een pact met de duivel had gesloten en ze was door getuigen op de heksensabbat gezien. Zij werd op 16 december 1602 een eerste keer ondervraagd.

Tielt

Op kerstavond 1602 werd Tanneken opgesloten in de gevangenis van Tielt, op de hoek van de Hoog- en de Sint-Jansstraat. Tielt was de hoofdplaats van de Roede van Tielt, waartoe Gottem toen behoorde. Op 30 december werd Tanneken door baljuw Meganck bij de schepenbank officieel beschuldigd van hekserij. Zij ontkende alle beschuldigingen en verklaarde dat de baljuw wraak wilde nemen wegens haar seksuele afwijzing. Tanneken was rijk en de baljuw wilde blijkbaar ook haar bezittingen buitmaken. Zij werd in de Tielste hallentoren onderzocht op duivelstekens en gefolterd door de Gentse beul Baudewijn Waelspeck. Tanneken beweerde dat de beul haar 's nachts met een bijtend zuur littekens had toegebracht die hij 's anderendaags als duivelstekens aanwees. De foltering kraakte Tanneken en, ondanks haar aanvankelijke weerstand, bekende zij uiteindelijk alles wat men haar ten laste legde. Zij gaf zelfs toe seksuele omgang te hebben gehad met de duivel 'die een koud aanvoelende penis had waaruit geen sperma kwam'. Na de foltering trok ze wel alle bekentenissen weer in, maar dat bracht dan weer nieuwe martelingen met zich mee. De folterpraktijk duurde van 23 mei tot 2 juni 1603. Tijdens de laatste, intensieve foltering in de Tieltse Hallentoren, die vier dagen en nachten had geduurd, bezweek Tanneken. Salomon Marcx, een chirurgijn uit Tielt, verklaarde dat Tanneken niet gestorven was aan haar verwondingen maar dat de duivel haar nek had gebroken. De baljuw kon tenslotte een veroordeling doordrukken en kon daarna de hand leggen op een deel van haar bezittingen.

ijskelder

Heksenput Gottem

© Wikipedia

‘De heksenput’ in Gottem

Omdat ze geen vergiffenis had gevraagd voor haar zonden werd Tanneken in ongewijde grond begraven in haar geboorteplaats Gottem. Zij zou begraven zijn dicht bij een vijver vlakbij de Pontstraat, de huidige Ardense Jagersstraat. De vijver wordt nog altijd ‘de heksenput’ genoemd. Postuum werd zij nog vrijgesproken van hekserij en kreeg in 1994 op de Markt van Tielt, naast de Hallentoren, zelfs een standbeeld van de hand van de Tieltse kunstenaar Jef Claerhout. Sinds dat jaar kan je in Tielt nu ook een 'Tielts Tannke' drinken.

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven

Deel 4: Heksen in de Leiestreek: Pieter en Jan Dhondt

ZULTE - Pieter Dhondt bekende dat hij kapitein was van een lokale heksensekte en noemde ook namen van andere leden, waar zijn eigen zoon.Twee van hen moesten dat met de brandstapel bekopen, een lot dat hij zelf ook moest ondergaan. In 1684 vond in Sinaai in het Waasland het laatste Vlaamse heksenproces plaats. De beklaagde, Martha van Wetteren, werd ter dood veroordeeld, maar het vonnis werd niet uitgevoerd. Heel wat rechters handelden ondertussen op deze manier, uit medelijden met de slachtoffers of omdat ze twijfelden aan het rechtvaardige verloop van het proces.

ijskelder

Heksenverbranding

© Wikipedia

Pieter Dhondt

Van Pieter Dhondt weten we helemaal niet waar of wanneer hij geboren is. Wat we wel weten is dat hij slachtoffer werd van de heksenvervolging en in november 1660 in Machelen werd ter dood gebracht.

Pieter Dhondt werd op 23 november 1660 gefolterd en bekende toen, maar ook later, dat hij de kapitein was van een lokale heksensekte. Andere leden van die sekte waren volgens hem zijn luitenant Joos Verpraet uit Gottem, Maeyken de Smet en Jacques van Steenbrugghe uit Olsene, maar ook zijn eigen vijftienjarige zoon Jan, koewachter in Olsene. Jacques van Steenbrugghe zal ervan af komen met levenslange verbanning maar Joos Verpraet en Maeyken de Smet zullen de heksendood sterven op de brandstapel. Bij Jan Dhondt zou de duivel op de rug een duivelsteken hebben aangebracht en hij had hem ook een rood poeder gegeven, waarmee hij het paard van Joos Van den Putte uit Olsene had betoverd.

Pieter Dhondt stierf eind november 1660 de vuurdood in Machelen.

Jan Dhondt

In opdracht van de advocaten van de Raad van Vlaanderen maakte het leenhof van Machelen een kopie van de verklaringen van Pieter Dhondt over aan de baljuw van Olsene. De niets vermoedende zoon Jan Dhondt werd aangehouden en op 12 december 1660 ondervraagd. Hij was blijkbaar sterk onder de indruk want hij gaf toe dat alle verklaringen van zijn vader correct waren. Chirurgijn Pieter Carijn uit Kruishoutem onderzocht Jan Dhondt en vond inderdaad een duivelsteken op zijn rechterschouder.

De Gentse heksenadvocaten waren echter niet overtuigd. Het leenhof van Olsene kreeg opdracht Jan Dhondt opnieuw te ondervragen.

Op 5 januari 1661 werd Jan dus nog eens ondervraagd over zijn verhouding met de duivel. Men vroeg hem waar, wanneer en hoe hij zijn contract met de duivel had afgesloten. Waar en wanneer hij zijn doopsel en geloof had afgezworen. Hij moest ook zeggen hoe zijn duivel heette en of hij met zijn vader op een heksensabbat was geweest. Maar nu ontkende Jan Dhondt resoluut alle omgang met de duivel. Een nieuw lichaamsonderzoek werd deze keer uitgevoerd door Ghiraldo Heland, een dokter in de medicijnen uit Oudenaarde, die een verklaring onder eed moest afleggen. Dit onderzoek wees uit dat de jongen helemaal niet door de duivel was getekend. Op advies van vijf advocaten werd Jan Dhondt op 13 januari 1661 op borgtocht vrijgelaten.

Nog meer heksenprocessen

Er werden in de Leiestreek nog andere heksenprocessen gevoerd en doodstraffen voltrokken. In Deinze werd in 1599 een heksenproces gevoerd tegen Arnouldyne van Rechem. De Nevelse heks Pieryne Daneels kwam in 1624 tragisch aan haar einde. Claere De Vos werd op 1 december 1634 terechtgesteld in Nokere. In 1651 werd Gillis Ogiers uit Kruishoutem, maar geboren in Huise, ter dood veroordeeld en terechtgesteld in Ayshove, Kruishoutem. Matthijs Stoop werd op 11 september 1657 door de leenmannen van Asper en Zingem veroordeeld tot het vuur na wurging aan de staak.

Bronnen

Monballyu, J. (2002). Een heksenproces in Olsene in 1603. 30ste Jaarboek van de geschied- en heemkundige kring De Gaverstreke, 9-19.
Monballyu, J. (2003). Een heksenproces in Olsene in 1603. Bijdragen tot de Geschiedenis en de Folklore van Zulte, 19, 23-34.
Monballyu, J. (2003). Heksen, hun buren en hun vervolgers in de Leiestreek. Een sociale benadering van de heksenprocessen te Olsene en Dentergem in 1660-1670. Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 57, 121-182.

 

 

Naar boven